MEDEHUUR De wet onderscheidt twee categorieën medebewoners: - echtgenoot, een geregistreerd partner of een medehuurder; - door de verhuurder of rechter erkende medehuurder. De echtgenoot of de geregistreerde partner is van rechtswege medehuurder zolang de woonruimte de echtgenoot of geregistreerd partner tot hoofdverblijf strekt. De medehuurder heeft voor de verhuurder een bijna even sterke positie. Het enige verschil is dat een medehuurder zijn medehuurderschap verliest als hij niet langer het hoofdverblijf heeft in de gehuurde woning. Eindigt de huurovereenkomst met de huurder, dan wordt de medehuurder huurder. De medehuurder heeft de plicht de verhuurder direct op de hoogte te stellen van het vertrek van de huurder. U wilt medehuurder worden Als u samenwoont met de huurder en u wilt medehuurder worden, dan moet u aan drie eisen voldoen: 1. U moet minimaal twee jaar aantoonbaar uw hoofdverblijf hebben in de woning. Ook moet u een duurzame gemeenschappelijke huishouding met de huurder hebben gevoerd. 2. Het medehuurderschap moet niet zijn gericht op het op korte termijn verschaffen van de positie van huurder. 3. U moet voldoende financiële waarborg bieden om de huurovereenkomst na te komen.
Wilt u een verzoek tot medehuurderschap indienen, maakt u dan gebruik van het medehuurderschapformulier. Vergeet u niet een uittreksel van het Bevolkingsregister bij te sluiten. Huurder en medehuurder beëindigen de relatie In dit geval zal meestal een van de twee in de woning willen blijven. In dit geval dient u beiden een gezamenlijk verzoek in voor wijziging van de tenaamstelling van de huurovereenkomst. Deze huuropzegging moet vergezeld gaan van een uittreksel van het Bevolkingsregister waaruit blijkt wie van u per wanneer een nieuw adres heeft. Uw verzoek tot tenaamstellingwijziging van de huurovereenkomst wordt binnen vier dagen door ons bevestigd. Voor nakoming van de huurovereenkomst, dus ook de eventuele huurachterstand, blijven huurder en medehuurder elk hoofdelijk aansprakelijk en verantwoordelijk tot het moment van de tenaamstellingwijziging. Na het overlijden van de huurder De dood van een huurder doet de huur niet eindigen. De wet onderscheidt bij overlijden van de huurder twee categorieën voortzetters van de huur: - de medehuurder; - de samenwonende die geen medehuurder is. Bij overlijden van de huurder zijn de medehuurder en de samenwonende die geen medehuurder is, verplicht de verhuurder van het overlijden van de huurder op de hoogte te stellen. Zijn er geen medehuurders of samenwonenden, dan kan de huurovereenkomst door de erven schriftelijk worden opgezegd met inachtneming van een maand opzegtermijn. Voortzetting huurovereenkomst De medehuurder zet de huurovereenkomst voort. Wel kan de medehuurder de huur binnen zes maanden na het overlijden van de huurder schriftelijk opzeggen. De persoon die geen medehuurder is, maar wel zijn hoofdverblijf in de woning heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd, kan de huurovereenkomst maximaal zes maanden na het overlijden van de huurder voortzetten. Wil hij na deze zes maanden de huur voortzetten dan moet hij aantonen: - voldoende financiële waarborg te bieden om de huurovereenkomst na te komen; - dat hij aan de verplichting voldoet een duurzame gemeenschappelijke huishouding met de overleden huurder te hebben gevoerd; - dat het geen woonruimte betreft waarvoor een huisvestingvergunning nodig is. De ouder-kind relatie is in de regel een 'aflopende samenlevingssituatie'. Deze relatie wordt dus niet gezien als een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Alleen in bijzondere omstandigheden kan een volwassen kind de huurovereenkomst na het overlijden van de ouder of ouders voortzetten.
ONDERHUUR Het is niet toegestaan de woning of een gedeelte daarvan in onderhuur te geven. U kunt dit nog eens nalezen in de Algemene Huurvoorwaarden.
|